Een openingswoord bij de expositie van schilderijen van Jacques Timp
Tentoonstelling: De Staart van de Salamander
Kunstenaars: Jacques Timp en Jordan Faber
Locatie: Space for Art & Culture (S.A.C), Maastricht
Periode: 8 oktober 2026 tot en met 8 november 2026
Dr. Peter Ph. Nelissen
Maastricht, 16 oktober, 2026
Geachte aanwezigen,
Mijn naam is Peter Nelissen. Ik ben in de vorige eeuw opgeleid in de beeldende kunst, wetenschap en filosofie. Tot op de dag van vandaag houd ik mij bezig met deze disciplines. Mij is gevraagd om de opening van deze expositie de schilderijen van Jacques Timp te omlijsten met enige beschouwende woorden. Met alle plezier wil ik dat doen. Jacques is al decennialang mijn buurtgenoot. We komen elkaar regelmatig op straat tegen en wisselen dan onze ervaringen of gedachten uit. Vrijwel altijd gaat het dan ook over schilderkunst en grote schilders uit de vorige eeuw zoals Francis Picabia en zijn ongrijpbare oeuvre dat alle kanten opvloog.
Toen ik Jacques vorige week op straat tegenkwam vertelde hij mij over iets opmerkelijks dat was voorgevallen tijdens de inrichting van zijn expositie. Er was een onbekende man binnen komen lopen. Hij was in het zwart gekleed en droeg een bril met een zwaar montuur. Dit type bril werd in de jaren dertig van de vorige eeuw geïntroduceerd door de Franse kunstenaar LeCorbusier. Een journalist van de NRC wijdde laatst een heel artikel aan de populariteit van het zware brilmontuur in de wereld van de beeldende of monumentale kunsten. Deze journalist beschrijft hoe hij onlangs, tijdens zijn bezoek aan de Biënnale van Venetië, in het doolhof van smalle steegjes de weg naar de vele locaties met tentoonstellingen telkens kwijtraakte. Maar uiteindelijk kwam hij toch steeds waar hij moest zijn door gewoon maar achter iemand aan te lopen met zwarte kleding en een bril met een zwaar montuur.
Maar dit even terzijde, ik dreig af te dwalen.
De onbekende man met het zware brilmontuur die zo maar in de galerie binnen was komen lopen had kritiek geuit op de wijze waarop Jacques zijn werk had gepresenteerd. “Less is more” had hij zuinigjes tegen Jacques gezegd. Bij een rechtgeaarde Limburger en levenskunstenaar als Jacques die eerder voor “ More is More” gaat, viel dit niet zo goed. De man had ook gewezen op de schilderijen die Jacques vlak boven de plint had opgehangen. Volgens Jacques ontstond er op dat moment een geanimeerde conversatie waarbij Jacques de man met het zware brilmontuur met de volgende woorden van repliek had gediend: “Ik en mijn werk zijn er niet voor jouw comfort”.
Met deze repliek hebben u en ik meteen een belangrijk aspect van Jacques’ werk te pakken dat kunsthistorisch van belang is. Het vertegenwoordigt de breuk met de traditie en de klassieke perceptie van een kunstwerk, zoals het Gezicht op Delft of Het Meisje met de Parel waarbij de schoonheid van het schilderij onmiddellijk ervaarbaar is via de lichtval, de verstilde atmosfeer, de precisie van de kleuren, kortom via de geniale methode waarmee Vermeer een alledaags herkenbaar beeld tot een bijzondere, harmonische en bijna metafysische schoonheidservaring maakt. Om schoonheid of het bovennatuurlijke te ervaren vereist het werk geen verdere uitleg of instructie; het werk zelf schept die relatie met de toeschouwer. Ook Matisse benadrukte in 1908 nog deze harmonische relatie van het kunstwerk met de toeschouwer: hij wilde kunst maken die een rustgevende, kalmerende invloed op de geest heeft, zoals een goede leunstoel die je laat uitrusten van lichamelijke vermoeidheid.
Als u zo dadelijk de schilderijen van Jacques gaat bewonderen, begrijpt en voelt u lichamelijk dat het werk van Jacques op een andere leest is geschoeid. Het is met name bij de schilderijen die vlak boven de plint hangen zeker niet de logica van het comfort of de directe consumptie van het beeld in termen van weldadige rust en contemplatie. U zult voor het werk van Jacques moeten buigen, bukken, misschien zelfs door de knieën moeten gaan.
Jacques schilderijen dagen de beschouwer uit om stil te staan bij onze alledaagse manier van waarnemen en de mechanismen die hierbij werkzaam zijn. Qua waarneming en interpretatie gebeurt er bij mij het volgende als ik naar een werk van Jacques kijk: je ziet een abstraherende beeldtaal van kleuren, vormen, lijnen die breekt met de traditie van mimesis of het afbeelden van een figuratieve, herkenbare voorstelling als venster op de wereld. Mijn neiging om al scannend onmiddellijk betekenis te halen uit het beeld wordt in het werk van Jacques op een subtiele manier gedwarsboomd, opgeschort. Het werk vraagt niet: vind je dit een mooie bloem of een subliem landschap? Nee, het beeld daagt de toeschouwer uit. Als bij een puzzel zoekt je blik houvast in het abstracte werk, probeert er vormen in te herkennen en er een voorstelling van te maken. Maar het schilderij schort dat op, het bevraagt juist deze neiging. Het schilderij drukt je daarmee met je neus op de elementaire werking van kleur, vorm, lijn en compositie die niet eenvoudig onder worden is te brengen. Het ontsnapt aan het categoriserend denken, het onmiddellijke oordeel en directe consumptie. Deze aanpak verwijst naar wat we in de filosofie de fenomenologisch reductie noemen. Het is de reductie naar het primordiale zien. Het is een manier van zien die voorafgaat aan het weten. Het verwijst niet naar het moment in onze waarneming waarop ik de wereld denk, maar waarop deze zich via vorm, kleur en lijn ordent voor mijn blik."
Ik zou u op dit punt van mijn verhaal nog veel meer willen en kunnen vertellen over de rol van dit reductionisme in de ontwikkeling van de moderne kunst. Het is het verhaal van het experiment, de ontleding en de bijna wetenschappelijke, analytische focus op de elementaire delen of de essentie van de werkelijkheid. Maar dat verhaal laat ik achterwege.
Waar ik wel ter afronding bij stil wil staan is hoe in de moderne kunst, deels als afspiegeling van het ontstaan van het moderne mens-en wereldbeeld het denken over esthetiek en schoonheid is veranderd en hoe dat op een, mijns inziens bijzondere manier doorwerkt in de kunst van Jacques.
Met de kunsten zijn we, zoals u ook in deze galerie kunt zien, terechtgekomen in de hedendaagse toestand van duizelingwekkende pluraliteit, fragmentering en decentrering. Ieder kunstwerk geeft daarbij uitdrukking aan een eigen authentieke of individualistische privé-esthetiek. De esthetiek zelf is gebroken en gefragmenteerd in ontelbare individuele esthetica ’s die de klassieke, premoderne centralistische esthetica, voorheen gesitueerd rond de traditie en schoonheid als ultieme doel of gemeenschappelijke grond van de kunst, hebben vervangen. Zoals u weet stond die kunst sterk in het teken van schoonheid die wordt gedragen door visuele perfectie, mimesis, harmonie, de verwijzing naar een geheel dat overstijgt, liefelijkheid en symmetrie.
Maar tegenwoordig is een esthetische ervaring niet noodzakelijk een ervaring van schoonheid. Men kan een kunstwerk esthetisch ervaren omdat het verwarrend, verontrustend of intellectueel uitdagend is. Een werk van bijvoorbeeld Francis Bacon kan een intense, esthetische ervaring oproepen zonder conventioneel mooi te zijn. Toch voegt de Grieks-Amerikaanse filosoof Nehamas hieraan toe dat ook dergelijke kunstwerken vaak een vorm van aantrekkingskracht bezitten. Ze blijven de beschouwer bezighouden, nodigen uit tot herhaalde confrontatie en onthullen geleidelijk nieuwe betekenissen. Die aantrekkingskracht noemt Nehamas een vorm van schoonheid, al is zij niet noodzakelijk harmonieus of aangenaam. Schoonheid volgens deze ruime definitie van Nehamas vereist een persoonlijke betrokkenheid: zij spreekt iemand aan en schept tegelijkertijd een verlangen naar verdere kennismaking.
Nehamas verruimt het begrip schoonheid aanzienlijk. Schoonheid is voor hem niet identiek aan lieflijkheid, symmetrie of visuele perfectie. Zij is eerder de kwaliteit waardoor een object, persoon of kunstwerk een duurzame relatie met ons aangaat. Een kunstwerk is mooi wanneer het ons niet loslaat, wanneer het ons verlangen wekt naar verdere kennismaking en om er telkens opnieuw naar terug te keren. En dat laatste is in mijn beleving nu precies wat de schilderijen van Jacques bij mij teweegbrengen en waarom ik ze mooi vind.
Het is het verlangen om er steeds naar terug te keren. Dat verlangen dooft niet uit, het blijft branden dankzij de esthetische kracht, rijkdom of schoonheid van het gelaagde, poëtische en speelse werk van Jacques waarin de dingen in een soort tussenruimte van ongrijpbaarheid staan te gebeuren, al gebeurd zijn of niet lijken te weten waar ze naar toegaan. Het zijn stuk voor stuk veelzijdige werken die mij associatief blijven verrassen. Ze voeren je mee langs de tintelende, vrolijke kleuren van een zonnige, gelukkige ochtend, ze laten je glimlachen om iets grappigs of ze dompelen je onder in een onheilspellende structuur van wemelend zwart of bruin als voorbode van iets dreigends, misschien wel een catastrofe.
Ik wens u veel kijkplezier bij de beschouwing van de schilderijen van Jacques Timp en natuurlijk ook van het werk van de andere exposant, Jordan Faber.