Kunst als vingerwijzing naar de ‘schoonheid van de wereld’
De ‘schoonheid van de wereld’ kunnen wij niet als een tastbaar object denken, voorstellen of verbeelden. Van de schoonheid van bijvoorbeeld een vlinder of een mooie auto kunnen we ons een concrete voorstelling maken, maar bij de ervaring van de ‘schoonheid van de wereld’ of de overstijgende schoonheid van ‘al wat is’ of van het ‘zijn zelf ’is dat onmogelijk. De schoonheid van het zijn zelf bestaat niet op dezelfde manier zoals bijvoorbeeld een vlinder of een mens bestaat. Hooguit kunnen we via kunst de aanwezigheid van ‘de overstijgende schoonheid van de wereld’ of de transcendente schoonheid van het Zijn als zodanig voelbaar maken. Eeuwenlang werd op grond van de interpretatie van Longinus deze overstijgende ‘schoonheid van de wereld’ aangeduid als het sublieme of het verhevene. Het sublieme had toen de volstrekt eenduidige en positieve betekenis van de schoonheid van de (goddelijke) oorsprong van het universum of de schoonheid van het bovennatuurlijke Absolute, het Enige of het Oneindige. In de achttiende eeuw van de Verlichting krijgt het sublieme echter een negatieve betekenis: het wordt een esthetische categorie die juist afwijkt van het schone en in verband wordt gebracht met een onheilspellende binnenwereldse, natuurlijke werkelijkheid die ons gevoelens van angst, nietigheid en kwetsbaarheid inboezemt. De rest is geschiedenis.